Allergieën nemen gestaag toe in geïndustrialiseerde landen. Tegenwoordig wordt een allergie gedefinieerd als een specifieke overgevoeligheid van het immuunsysteem voor stoffen die op zich onschadelijk zijn.

De vier allergietypes (type I–IV) die oorspronkelijk door Coombs en Gell werden geclassificeerd, zijn inmiddels aangevuld met type V.

Type I-allergie

De meest voorkomende allergische reacties zijn type I-reacties, die voornamelijk plaatsvinden op epitheeloppervlakken (huid, longen, maagdarmkanaal) en die worden gekenmerkt door de vorming van specifiek immunoglobuline E tegen de allergenen. Deze type I-reacties worden ‘acute reacties’ genoemd en zijn de klassieke oorzaken van allergische rhinitis, astma en atopische dermatitis. Bij het optreden van dit allergietype zijn TH2-lymfocyten betrokken, die ervoor zorgen dat B-lymfocyten specifieke IgE-antilichamen produceren, die vervolgens aan het oppervlak van mestcellen worden gebonden. Bij herhaald contact met dit allergeen en cross-linking van ten minste 2 mestcelgebonden IgE-antilichamen, scheidt de mestcel het biogene amine histamine af, dat de symptomen van de allergie veroorzaakt.

Kijk hier voor meer informatie over type I-allergieën

Allergieën van type II en III

Allergieën van type II en III worden gekenmerkt door de vorming van immunoglobuline G of M, met type II-reacties tegen celoppervlakken en type III-reacties tegen oplosbare antigenen. Bij type III-reacties vormen de IgG-antilichamen immuuncomplexen met de allergenen, die bijvoorbeeld exogene allergische alveolitis kunnen veroorzaken. Bovendien wordt vermoed dat IgG-antilichamen tegen voedingsmiddelen een rol spelen bij het ontstaan van vertraagde voedselallergieën.

Kijk hier voor meer informatie over vertraagde voedselallergieën

Allergieën van type IV en V

De type IV-reacties zijn cellulaire reacties waarbij voornamelijk T-lymfocyten betrokken zijn. De granulomateuze type V-allergie kan worden beschouwd als een variant van de type IV-allergie, omdat hierbij ook een celgemedieerde immuunreactie wordt uitgelokt, maar er zijn macrofagen bij betrokken in plaats van T-lymfocyten.

Allergiediagnostiek

In de regel zijn de allergenen eiwitten uit natuurlijke bronnen, zoals pollen, dierlijk epitheel, insectengif, voedingsmiddelen, mijten, etc., hoewel geneesmiddelen als penicilline en penicillinederivaten ook allergieën van type I kunnen uitlokken. Patiënten vertonen vaak een breed scala aan uiteenlopende symptomen en sensibiliseringspatronen bij verschillende allergenen. Het is noodzakelijk om het bloed van een patiënt te testen wanneer een allergische respons of ernstige reactie wordt vermoed. De allergiediagnostiek van R-Biopharm AG biedt twee kwantitatieve testmethoden voor de detectie van antilichamen: de enzym-immunoassay (RIDASCREEN® Allergy ELISA) en de immunoblot (RIDA qLine® Allergy).

U bent misschien ook geïnteresseerd in

RIDASCREEN® Total IgE
For in vitro diagnostic use. The RIDASCREEN® Total IgE test is an enzyme immunoassay (EIA) for the quantitative determination of IgE antibodies in ...
RIDASCREEN® Spec. IgE
For in-vitro diagnostic use. The RIDASCREEN® Spec. IgE is an enzyme immunoassay (EIA) for the quantitative determination of specific IgE antibodies...
RIDA qLine® Allergy Panel 1-4
For in vitro diagnostics. This test is an enzyme immunoassay on a nitrocellulose membrane (immunoblot) for the quantitative detection of allergen-s...

Allergologische ondersteuning

Vragen? Maak gebruik van de expertise van ons team. Wij zijn er om u en uw organisatie tijdens het hele testproces te ondersteunen om uw succes te garanderen.

Start typing and press Enter to search